Brabantse Biesbosch…

De Brabantse Biesbosch…
Het gebied
De Brabantse Biesbosch is opgedeeld in twee delen. De Noord- en Zuidwaard. De Noordwaard bestaat voornamelijk uit landbouwgebied.
De Zuidwaard daarentegen herbergt veel natuur- en recreatiemogelijkheden. Dit gebied is alleen over water te bereiken.
Ambachten
Tot aan de jaren zestig heeft in het gebied aanzienlijke bedrijvigheid plaatsgevonden. (Zalm) visserij, griend- en rietcultuur, eendenkooien en het verwerken van biezen behoorde tot de vele ambachten in en om de Biesbosch. Om uiteenlopende redenen worden de meeste van deze ambachten nu niet meer uitgeoefend. Wel worden er nog enkele in stand gehouden om de kennis voor het nageslacht niet verloren te laten gaan.
Biezencultuur
De eerste plant die op de slibplaten gingen groeien waren de diverse soorten biezen. Met de komst van de bies deed een nieuw ambacht zijn intrede.
Met de oogst van biezen werd begonnen vlak na de langste dag, als de groei gestopt is. Voor eind augustus moesten alle biezen binnen gehaald zijn. Er kon dus maar over een periode van ongeveer 7 weken gesneden kon worden. Biezen snijden was een heel zwaar en nat beroep. Met lange lieslaarzen of een laarsbroek stonden de mannen de hele dag in het vaak koude water. In deze periode verdienden de biezensnijders relatief veel geld maar het werk was dan ook lichamelijk erg zwaar. Het was niet ongebruikelijk dat de mannen ongeveer 10 kilo gewichtsverlies leden.
De biezen werden met een versleten riethaak gesneden en in tot bossen met een omvang van ca. 1 meter samengebonden en afgevoerd. Dan gingen ze naar de biezenwei waar een droogcampagne in werking werd gezet. Na een paar weken waren ze zover gedroogd dat ze klaar waren voor gebruik. Omdat het snijden altijd in de zomer gebeurde, hadden de mannen veel last van muggen etc. Daarom smeerden ze hun gezicht vaak in met modder. Net als griendwerkers, rietsnijders en vissers bleven zij ook door de week in de Biesbosch. Aakjes van een huik voorzien dienden als onderdak.
Een gebruikstoepassing was en is nog steeds de biezen stoelzitting maar, vooral vroeger, de biezenmat. Ook bij het kuipen van tonnen werd de bies toegepast. Na 15 tot 20 jaar was door slibafzetting van ongeveer 5 cm per jaar de bodem zo verhoogd dat de grond te droog werd voor de biezencultuur.
Eendenkooien
Eenden worden gevangen op een eendenkooi waarvan er velen in dit gebied lagen. De eendenkooi is een jachtmiddel en komt nagenoeg nergens buiten onze landsgrenzen voor. De oudste vermelding van het kooibedrijf in dit gebied is van rond 1492. Het recht tot het verlenen van een vergunning voor een eendenkooi was voorbehouden aan de “Prince van de Lande”. Nog steeds zijn vrijwel alle eendenkooien van de staat en worden zij verpacht.
Een eendenkooi is een met bomen, struikgewas en rietmatten omgeven vijver of plas. Vanuit de hoekpunten gaan vier of vijf gebogen watergangen, de zogenaamde vangpijpen of kelen. Deze vangpijpen worden naar het einde toe steeds nauwer en lopen trechtervormig toe. Ze zijn overkoepeld met dun netwerk zodat een opvliegende eend niet meer kan ontsnappen. Heel vroeger werden ook wel zijtakken van killen als vangarm ingericht.
Samen met zijn kooihond, die alleen maar reageert op commando’s die door middel van zijn hand gegeven worden, vormt de kooiker een hecht team. Op en rond een kooi was absolute stilte nodig. Daarom mocht, binnen een straal van 754 meter rond de kooi, niemand komen. De vangtijd voor de kooiker viel echter samen met de periode waarin de rietsnijder zijn riet moest snijden. Dat gaf regelmatig onenigheid. Maar ook vissers en jagers die zich te dicht in de buurt van de kooi bevonden kregen een proces aan hun broek. Omdat de pachtopbrengst van de kooi afhankelijk was van de vangst, stond de Rentmeester van de Dienst der Domeinen, een machtig man, pal achter zijn pachters als het ging om procederen.
Volgens een boek uit 1654 werden op de kooien onder Werkendam binnen 13 dagen 17.000 eenden gevangen.
Binnen het Biesboschgebied, is vandaag de dag alleen de kooi van de Hofmansplaat, nog geheel in gebruik.
Griendcultuur
Griendwerkers verbleven de hele week in onderkomens zoals zelfgemaakte keten van riet en hout, zeer eenvoudige arken of in het vooronder van een aak. De griendketen boden weinig beschutting tegen het barre winterweer. Om warm te blijven en om eten te koken, moest flink gestookt worden op een open vuur of in een speciale kachel voor grof hout: de zogenaamde struikenkachel. De mannen leefden, kookten en sliepen in één ruimte. Bij hoog water gebeurde het regelmatig dat een keet onderliep en de mannen de nacht in de hanenbalken door moesten brengen. Hygiëne was ver te zoeken.
Hierin kwam pas begin 1900 verandering. Een journalist uit Rotterdam trok door de Biesbosch en stelde de mensonterende omstandigheden aan de kaak in zijn krant. Hij vergat niet te vermelden dat een flink aantal van deze keten eigendom waren van domeinen. Het rechtstreekse gevolg hiervan was een bezoek van Prins Hendrik aan het gebied en de daarop volgende Keetenverordening waarin vast gelegd werd waaraan een keet minimaal moest voldoen. De rieten schrankketen behoorden definitief tot het verleden. De keten moesten gedeeltelijk van steen opgetrokken worden en ook moesten voldoende ramen aangebracht worden voor daglicht. Het is een wonder dat de keten niet regelmatig ten prooi vielen aan de vlammen. Gebeurde dat wel dan was het de griendwerker die de dupe werd. Kist, bult en het gereedschap om te hakken waren persoonlijk eigendom van de mannen. Verlies daarvan betekende een enorme schadepost die niet altijd te overzien was.
Pas na 1950 werden de werkomstandigheden in de griend beter. De Biesboschwerkers verbleven niet altijd meer in de grienden, maar konden, door de intrede van de buitenboordmotor, desnoods dagelijks heen en weer varen tussen huis en werk.
Hoepelmakerij
Hoepmakerij was van oorsprong een typische vorm van huisindustrie waarbij het hele gezin werd ingezet. Eens in de zoveel tijd kwam een handelaar langs de hoepmakers om hun voorraad op te kopen. In het midden van de negentiende eeuw verschenen de eerste grootschalige “hoepschuren” als neveninvestering van een aantal aannemers. Het grootste verschil tussen het thuiswerk en het werk voor een aannemer lag in het feit dat een hoepmaker in dienst trad van de aannemer en zo een enigszins vast inkomen had.
Hoepels werden gemaakt van wilgenhout. Na dat dit in de grienden gehakt was werd het voor de hoepindustrie in hokken gezet waar het tot de onderste band in het water stond. Als in het voorjaar de temperatuur steeg zogen de stokken zich vol met water waardoor de groei weer in het hout kwam. Op dit moment kon het hout geschild worden.
Het schillen gebeurde door het hout tussen de einden van een schilijzer te slaan en het daar in een vloeiende beweging doorheen te trekken. Dat dit zwaar werk was blijkt uit de bijnaam van het schilijzer “de moordenaar”.
De stokken werden hierna in tweeën of drieën gespleten om vervolgens op de snijbank met een snijmes glad gesneden te worden. Hierna werden de latten gemangeld door een buigmachine. De gebogen latten werden met de handen en knie in een maathoepel gedrukt. Blanke hoepels werden in tegenstelling tot grauwe hoepels in het zwavelhok opgetast. Zwaveldampen moesten aantasting van het hout voorkomen.
Moderne verpakkingsmaterialen hebben een eind gemaakt aan deze ooit zo belangrijke industrie.
Kuiperij
Vroeger was men voor opslag en transport van producten aangewezen op houten vaten en manden als verpakkingsmateriaal. De vaten werden gemaakt door de plaatselijke kuiper. Om van de houten planken een eenheid te maken gebruikte de kuiper een houten hoepel. Deze hoepels werden gemaakt van griendhout.
Als het griendhout niet van de bast werd ontdaan dan sprak men over “grauwe hoep”. Deze werd toegepast op vaten die voor eenmalig gebruik waren zoals bij voorbeeld haringtonnen. Vaten voorzien van geschilde hoepels, “blanke hoep”, dienden voor hergebruik.
De vraag naar hoepels was gedurende de achttiende en negentiende eeuw zo groot dat het verbod op export van hoepels bij wet geregeld was. Dit leidde regelmatig tot grote conflicten tussen de hoepelleveranciers die juist wel voor export waren en de haringvissers die bang waren voor prijsstijging van de hoepels door deze dreigende concurrentie.
Ontstaan van de Landbouwpolders
Pas 30 jaar na de St. Elizabethvloed (1421) beschermden de Heren van Altena hun deel van de voormalige Groote Waard tegen nieuwe rampen door de westelijke dijk van hun gebied te herstellen. Het deel van de Groote Waard dat ten westen daarvan lag, werd definitief als verloren beschouwd. De dijk werd dan ook bekend als de “Zeedijk”.
De verlanding van de Biesbosch kwam in het noordoosten het eerst op gang. De aanwinning van land ging aanvankelijk in een heel laag tempo. De eerste polder die werd teruggewonnen op het water was de Vervoornepolder in 1552, gevolgd door de Uppelse- en Althenase polder (1646), Karnemelksepolder (1725), Prik- en Schanswaard (1740) en de Boerenverdriet (1758). De polders waren via de Zeedijk goed bereikbaar. Doordat zij werden omdijkt tot ± 3 meter boven A.P. bleven zij droog en was de grond geschikt voor bouwland.
De polders waren in het bezit van particuliere grootgrondbezitters die de gronden verpachtten aan boeren uit de omliggende dorpen. Het gros van de polders werd gevormd in de 19e eeuw. De laatste platen werden ingepolderd in 1918.
Napoleon liet tussen 1801-1813 een aantal grotere waarden verkopen aan particulieren die de waarden inpolderden en hierop landbouwbedrijven begonnen. Keizersguldenwaard werd in 1802, als eerste in de Noordwaard, ingepolderd en omdijkt tot een hoogte van max. 3.20 meter boven A.P. De hoogte van de dijk maakte het mogelijk om ook op de polder te wonen. In 1805 werd hier de eerste boerderij gebouwd.
De, ook rond 1802 verkochte, Hardenhoek, Kievitswaard, Kalverwaard en Kijfhoek zouden, samen met Keizersguldenwaard, lange tijd de enige polders zijn waarop bouwland lag en een boerderij stond.
In verband met de waterstaatkundige problemen van het gebied werd het in 1805 bij wet verboden dijken aan te leggen die hoger waren dan 2.64 mtr. boven A.P. Hierdoor waren de polders alleen nog maar te gebruiken als graspolders die vervolgens omkaad werden met een plasberm.
Domeinen benoemden in 1839 een opzichter voor de Biesbosch en gingen over tot exploitatie van het gebied. Herhaalde overstromingen zorgden voor een belangrijke verhoging van de bodem. Daardoor werd het economisch mogelijk de polders in bouwland om te zetten. Onder Koning Willem III, die grote belangstelling voor de landbouw had, werden de eerste bedrijven gevestigd in de huidige Noordwaard. Het graven van de Nieuwe Merwede en de aanleg van de Bandijk zorgden er voor dat in 1870 voor het eerst weer toestemming gegeven werd om een polder te bedijken tot 3 meter boven A.P. De inpoldering raakte in een stroomversnelling. Pachtboerderijen schoten als paddestoelen uit de grond.
Door de snelle inpoldering bleef er steeds minder ruimte over voor de vloedkomfunctie van de Biesbosch. In het minst erge geval liepen na de overstroming de polders onder en bleef er veel zand op de landerijen achter. Wanneer echter kort daarop de vorst intrad kon de polder soms tot ver in het voorjaar niet bewerkt worden.
Na de zware overstroming van 1916 was het weer toegestaan de dijken verder te verhogen. De kosten voor bedijking werden langzaam maar zeker zo hoog dat ze niet meer opwogen tegen de baten. Steeds vaker kwamen er plannen op tafel voor algehele inpoldering van het hele gebied. Wegen en spoorlijnen konden het gebied ontsluiten, nieuwe dorpen konden landarbeiders gaan huisvesten. Het hele gebied zou tot grote bloei komen.
Mandenmaker en korenvlechter
Het hout dat gebruikt werd voor de manden en korven kwam uit snijgrienden. Om de goede kwaliteit hout te krijgen werden deze grienden, in tegenstelling tot de hakgrienden die eens per drie jaar werden gehakt, ieder jaar gesneden.
De mandenmaker verwerkt het fijnere wilgenhout tot manden in allerlei soorten en maten. Ze kennen vele toepassingen zoals opslag voor aardappels, groenten en fruit en transportmanden voor gevogelte en vis. Om witte manden te kunnen maken moet het hout eerst een tijd in het water staan en worden geschild. Dit gebeurt door het hout door een schilijzer te trekken.
Meer specialistisch werk was het maken van kubben, korven en toten die voor de visserij werden gemaakt. Tot in het midden van de twintigste eeuw werd dit beroep nog uitgeoefend in Werkendam.
Rietcultuur
De rietcultuur is in alle dorpen rond de Biesbosch terug te vinden. Ten tijde van eb en vloed groeide er in de Biesbosch een soort riet die 5 meter lang kon worden. Deze werd vaak toegepast in de rietmattenindustrie. Voor Werkendam was de rietcultuur belangrijk voor de aannemerij waar in de zinkstukken een grote hoeveelheid riet verwerkt werd.
Riet snijden was een winterklus. Daarom verdienden veel rietsnijders in de zomer de kost als landarbeider. Het duurde ongeveer 3 jaar voor dat men de eerste keer kon oogsten. Desondanks moest toch ieder jaar het riet gesneden worden. Zelfs in jaren dat de opbrengst heel gering was, moest het riet gesneden worden omdat anders het perceel het volgend jaar een slechte kwaliteit leverde. Rond de vogeltrek in september en oktober, als grote concentraties spreeuwen overvlogen, ging de rietteler met een aantal mannen naar de rietgorzen om de vogels met veel lawaai te verjagen. Als een spreeuw op het riet neerstreek, knakte de stengel door het gewicht van het beestje door. De vogel schrok dan op en streek neer op de volgende stengel waar zich hetzelfde ritueel afspeelden. Zo kon een kolonie spreeuwen in weinig tijd een heel perceel om zeep helpen.
Het riet snijden is, zoals gezegd, een winterklus. Meestal mocht men pas vanaf 15 november, na de eerste nachtvorst, snijden tot 1 april. De rietsnijder sloeg een arm om een hoeveelheid riet en met een riethaak sloeg hij deze zo kort mogelijk boven de grond af. Deze handeling werd een paar keer herhaald waardoor hij in een cirkel werkte. Zo maakten men bossen met een omvang van ongeveer 120 of 130 cm. Omdat men afhankelijk was van het tij werd er ook in de nacht gewerkt. Het riet werd na het oogsten op een schelf gezet om te drogen en per rietaak afgevoerd. Sinds het wegvallen van eb en vloed is er bijna geen rietproductie meer.
Visserij
De binnenzee, die ontstond na de St. Elisabethvloed in 1421, en later bekend werd als de Biesbosch, vormde tot ca. 1800 het belangrijkste aaneengesloten zoetwatervisserij gebied van Nederland. Het directe gevolg daarvan was een ongekend grootschalige visserij op trekvis zoals elft, fint, steur en zalm met een grote bijvangst van standvis.
Trekvis brengt zijn leven deels in zout water deels in zoet water door in tegenstelling tot standvis die zijn hele leven of in zout of in zoet water leeft.
Alles draaide om de zalmvisserij. Iedere andere vorm van visserij gold als bijzaak. Het landschap werd eeuwenlang bepaald door grote zalmsteken. Tot 1810 had de stad Geertruidenberg het recht om, op binnen haar muren aangevoerde vis, een soort omzetbelasting te heffen. Bovendien waren alle vissers in de zuidelijke Biesbosch verplicht om alle vis die ze in het gebied vingen, in deze stad aan te voeren. Naast zalm werd tot ver in de negentiende eeuw tussen maart en mei op elft gevist.
Midden achttiende eeuw nam de verzanding steeds ernstiger vormen aan. De betekenis van het gebied voor de visserij nam af, een trend die zich in de negentiende eeuw doorzette. De eeuwenoude traditionele vangstmethode met zalmsteken verdween aan het eind van de negentiende eeuw. Langzaam maar zeker verplaatste het zwaartepunt van de zalmvisserij zich naar de inmiddels gegraven Nieuwe Merwede. Daarbij ging het om een visserij van een heel ander karakter. Op de Nieuwe Merwede viste men met de zegen en de vissers werkten vaak niet meer zelfstandig maar in loondienst van grote, bedrijfsmatig werkende pachters. Deze vorm van visserij bleek al snel veroordeeld tot een kwakkelend bestaan. Rond 1925 zijn deze bedrijven opgeheven. Samen met de trekvis verdwenen de meeste vissers. Een enkeling bleef vissen op standvis maar lonend was het allang niet meer. Vandaag de dag vist nog een familie beroepsmatig in en rond de Biesbosch. De gevangen vis is niet meer voor consumptie maar dient als pootvis.
Waterbouw
Uit de oudst bewaarde archiefstukken over de geschiedenis van Werkendam blijkt dat de bewoners van dit dorp zich al rond 1600 bezighielden met bedijkingwerkzaamheden en de handel in griendhout en riet. Het oudste schriftelijke bewijs waaruit blijkt dat mannen uit Werkendam en De Werken zich bezig hielden met waterbouwwerken elders in het land stamt uit 1662. Acht mannen in een keet, tijdens de bedijking van Wieldrecht, krijgen ruzie en vechten dat voor de Schout van Werkendam uit.
De rol van de aannemerij nam een grote plaats in gedurende de hele achttiende eeuw. Het was de tijd van de grote werken in Den Helder en Goedereede. Werkendammers waren overal nadrukkelijk aanwezig, soms in hele hoge overheidsfuncties. Vanaf 1 mei tot 1 november waren de meeste mannen elders in het land aan het werk zonder tussendoor naar huis te komen. Tussen 1 november en 1 mei waren zij in de grienden rond Werkendam aan het hakken en kwamen de zaterdag en zondag naar huis. De afwezigheid van zoveel mannen gedurende 5 maanden per jaar had grote invloed op het leven in het dorp. Zo werden de meeste kinderen geboren in de maanden september, oktober en december. De meeste huwelijken werden gesloten in april. Officiële handelingen zoals transport van huis of land gebeurden hoofdzakelijk in de winterperiode. Een patroon dat zich eeuwen lang zou herhalen. Werkendam kreeg de veelzeggende bijnaam “de Vrouwenhemel”.
Naast grote werken in de negentiende eeuw zoals het graven van het Noordhollands kanaal, de werken aan ‘t Sloe, de aanleg van Feijenoord en het graven van het Noordzeekanaal en de Nieuwe Merwede verlegde men zijn blikveld ook al naar het buitenland. Heel wat mannen trokken in de 19e eeuw van werk naar werk met hun gezin in hun kielzog zowel in binnenland als in het buitenland.
Rond 1880 stagneerden de waterbouwwerken in eigen land. Daarnaast stierven diverse aannemersfamilies langzaam maar zeker uit. Een aantal opzichters nam de kans waar voor zich zelf te beginnen. Zij vormden de grondleggers voor een hele nieuwe generatie van aannemers waarvan enkele nu tot de grootste ter wereld behoren. Tot op de dag van vandaag verdient een groot deel van de Werkendamse bevolking zijn brood in de kust- oever- en baggerwerken.
Waterwinning
De gemeente Rotterdam voorzag zijn burgers van drinkwater uit de Rijn. Verregaande verontreiniging van dit water was de oorzaak van de slechte kwaliteit van het drinkwater. In de winter van 1962-1963 was het water nauwelijks drinkbaar. De Gemeenteraad besloot maatregelen te treffen voor de vorming van spaarbekkens in de Brabantse Biesbosch. In deze bekkens zou het relatief schonere Maaswater opgeslagen worden voordat er drinkwater van gemaakt werd.
Door de eigenaren werd overgegaan tot verkoop van de polders de Gijster, de Petrus, de Honderd-en-dertig, en de Zuiderklip. Zij kwamen in eigendom van N.V. Waterwinningbedrijf Brabantse Biesbosch. De eerste drie polders werden meteen omgevormd tot spaarbekkens. Omvorming van polder Zuiderklip, totaal 366 ha, was nog niet onmiddellijk noodzakelijk. Daarom werd in 1969 een landbouwbedrijf als onderdeel van het Waterwinningbedrijf opgericht. Naast grootschalige landbouw, zoals aardappels, wintertarwe, graszaad en suikerbieten, werd een deel van het gebied, polder de Dood, natuurreservaat. Aanvankelijk was realisering van dit bekken in 1981 gepland. De behoefte aan water bleek niet zo snel te groeien en de plannen werden pas weer in de 90er jaren ter hand genomen. Inmiddels bleek de waarde van het natuurreservaat zo groot dat besloten werd de landbouwpolder Jannezand aan te kopen en om te vormen tot spaarbekken. Na diepgaande studie bleek ook nu weer dat de capaciteit van het bedrijf voorlopig nog voldoende was.
Naast water voor drinkwatermaatschappijen produceert het bedrijf ook “industrie”water voor grote bedrijven in de verre omgeving zoals in de omgeving van Antwerpen.
LEES NOG MEER OVER DE BIESBOSCH:



















































